[© 2004  vrij te gebruiken, mits de bron wordt vermeld.]

Moederborden

Na een keuze voor een processor (CPU), moet een bijbehorend moederbord worden gekozen. Dat is complex, door de vele aspecten die daarbij een rol spelen.

 

De socket bepaalt welke processor (CPU) op het bord past.

De chipset op het moederbord bepaalt of alle mogelijkheden van de processor benut kunnen worden.

Het moederbord (de chipset) ondersteunt een bepaald type geheugen en bepaalt de snelheid waarmee dit geheugen kan worden benaderd. Hoeveel geheugenmodules op het bord geplaatst kunnen worden.

De afmetingen van het moederbord kunnen een rol spelen bij de keuze voor een systeemkast en bepaalt vaak de uitbreidingsmogelijkheden van het systeem.

Sommige moederborden hebben on-board geluid en/of een grafische kaart.

Voor de specialisten speelt de BIOS een rol i.v.m. de optimalisatiemogelijkheden en of het bord geschikt is voor over-clocking, foutcontroles tijdens de POST, reguleerbaarheid van de ventilatoren (fans), enz.

Welke software-bundel wordt meegeleverd, b.v. voor het controleren van het systeem.

En natuurlijk de aansluitmogelijkheden op het moederbord.

  • AGP-slot (bepaalt het type grafische kaart)

  • Harddisk en cd/dvd aansluitingen PATA of SATA, SCSI en/of RAID

  • USB-poorten 1.0, 1.1 of 2.0 (voor b.v. toetsenbord, muis, scanner, digitale foto camera, enz)

  • Firewire poorten (voor b.v. een digitale filmcamera)

  • Seriële RS232 poorten (b.v. voor een extern modem)

  • Parallelle poorten (voor een printer met centronics interface)

  • PS/2 poorten (voor muis en toetsenbord)

  • Netwerk interface (ingebouwde netwerkkaart / eventueel WiFi)

  • FDD controller (voor floppy disk)

  • Geluid

  • Smartcard (voor beveiligde aanmelding)

  • Het aantal PCI-slots (hoeveel uitbreidingskaarten kunnen in het systeem)

Er zijn kortom een hoop factoren welke de keuze voor een moederbord kunnen bepalen. Hieronder een beknopte uitleg van de genoemde factoren.

 

Klik op een link

Socket

De socket is de aansluiting voor de CPU op het moederbord. De meeste borden hebben een socket met een hefboompje. Door dat hefboompje omhoog te doen komen de gaatjes van de socket open te liggen, waardoor de CPU zonder moeite in de socket kan worden geplaatst. Vervolgens wordt het hefboompje weer naar beneden gedaan, waardoor de pinnetje van de CPU klem komen te zitten. (Voorheen ZIF-socket: Zero-Insertion-Force)

De CPU heeft op één of twee hoeken een pinnetje minder, waardoor het eenvoudig is te zien hoe de processor op de socket moet worden geplaatst.

De socket wordt meestal benoemd naar het aantal aansluitpinnetjes wat de CPU nodig heeft. Zie de uitleg op de pagina over Processors.

Op de processor dient vervolgens een geschikte koeler geplaatst te worden. De meeste processors worden tegenwoordig boxed verkocht, wat wil zeggen dat er een geschikte koeler bijgeleverd wordt. Een goed passende koeler met voldoende koelcapacitiet is noodzakelijk om te zorgen dat de CPU niet te heet wordt. Overclockers dienen meestal voor extra koeling te zorgen.

[ terug]

Chipset

De chipset is een combinatie van chips (processors) die voor de communicatie tussen de processor en de rest van de componenten op het moederbord moeten zorgen. Deze uiterst belangrijke componenten bepalen voor een zeer groot deel de uiteindelijke capaciteit van het totale systeem.

Zie de uitleg op de pagina over Processors

[ terug]

BIOS

Met BIOS (Basic Input/Output System) wordt gerefereerd aan de EPROM, EEPROM, of FlashMemory welke de programmatuur bevat wat de meest elementaire controle (POST; Power On Self Test) uitvoert van de systeemcomponenten (keyboard, memory, diskdrives) en welke vervolgens vanaf een disk het besturingssysteem in het RAM-geheugen van de computer laadt. Deze software is  specifiek geschreven voor een bepaald moederbord en kan eventueel worden geupdate. Een BIOS-update is soms nodig om fouten uit de software te halen of om ondersteuning van gewijzigde hardware specificaties te realiseren. Dit kan met behulp van een speciaal programma. De BIOS-firmware-update en het z.g. flashprogramma moeten door de moederbordfabrikant worden aangeleverd. Een BIOS-update is niet zonder risico. Gaat het fout, dan kan het moederbord onbruikbaar worden.

Om deze programmatuur vast te houden heeft een BIOS soms een beetje stroom nodig, welke geleverd wordt door een batterij (of accucel). Is die batterij leeg, dan kan de BIOS bepaalde instellingen niet vast houden.

Via de BIOS kunnen bepaalde systeeminstellingen worden vastgelegd tijdens het opstarten van de computer door op een bepaalde toets te drukken (<Del> of <F1> of <F2>; dit is afhankelijk van het type BIOS). Met deze instellingen kan een systeem geoptimaliseerd worden, en er kan o.a. worden vastgelegd in welke volgorde het systeem disks moet afzoeken naar een besturingssysteem om mee op te starten.

Op sommige moederborden is een backupBIOS aanwezig, voor het geval de BIOS corrupt raakt. Een BIOS kan corrupt raken door een fout gelopen update of door sommige virussen. Bij de BIOS-instellingen kan het wijzigen (flashen) van de BIOS soms geblokkeerd worden, zodat virussen de BIOS niet kunnen wissen of wijzigen. 

 

BIOS merken:

[ terug]

Overclocking

 

Overclocking is het handmatig opvoeren van de (klok)snelheid van de processor door b.v. het voltage op te voeren, met de bedoeling de processor sneller te laten lopen dan de eigenlijke specificaties van de processor. Bij sommige processors kan dat makkelijk, bij andere weer niet. Belangrijk hierbij is de ondersteuning door het moederbord. Het moet b.v. via de BIOS mogelijk zijn het voltage op te voeren. Er zijn moederborden welke daarvoor erg geschikt zijn.

Overclocking kan riskant zijn. De processor krijgt zijn specificatie van de fabrikant op basis van testen welke de temperatuur tolerantie aangeven. Door het voltage op te voeren, wordt de processor ook heter. Extra koelen is dus noodzakelijk.

Daarnaast kan dit opvoeren ook voor verminderde stabiliteit zorgen.

[ terug]

Geheugenmodules

Er zijn verschillende soorten geheugenmodules, welke elk afzonderlijk soms ook nog weer verschillende snelheden hebben. Het is belangrijk de correcte geheugenmodules bij het moederbord aan te schaffen. Dat wordt evenwel niet alleen door het moederbord bepaald, maar ook door de processor. De Front Side Bus van de processor geeft de maxiale snelheid aan waarmee de processor kan communiceren met het geheugen. Een Pentium4 met 533Mhz FSB heeft b.v. niet genoeg snelheid voor een PC3200 Module (=DDR400)

Een tweede punt van aandacht is het aantal geheugenmodules wat op het moederbord kan worden geplaatst (het aantal geheugen banken). Het is niet handig om alle geheugenbanken direct te vullen. Hierdoor is de PC later niet uit te breiden met meer geheugen, zonder de oude modules er uit te halen.

De huidige generatie processors en moederborden ondersteunen Dual Channel DDR. Dat houdt in dat de toegang tot het geheugen kan worden verdubbeld door twee geheugenmodules gelijktijdig te benaderen. Dat impliceert evenwel dat er ook twee dezelfde geheugenmodules op het bord moeten worden geplaatst. Dan is het prettig als er 4 banken beschikbaar zijn, zodat later nog twee banken gevuld kunnen worden met twee extra geheugenmodules. Het is niet raadzaam te accepteren van de leverancier dat alle geheugenbanken al direct gevuld zijn.

Welke geheugenmodules gebruikt kunnen worden hangt af van het moederbord en de processor. Voor een volledig overzicht kijk op de informatiepagina over geheugenmodules.

[ terug]

Afmetingen

Hoe groot een moederbord is bepaalt in wat voor systeemkast het moederbord kan worden geplaatst en is meerstal ook bepalend voor het aantal uitbreidingsslots.

De standaard is op dit moment de ATX-form-factor. Dit specificeert niet alleen de afmeting, maar ook de plaatst van diverse aansluitingen. O.a. ook de aansluiting voor een voeding. Intel heeft evenwel geen problemen met het wijzigen van die specs voor b.v. de Pentium4. De Pentium4 vereist een aparte voedings-aansluiting voor de processor, waarmee rekening gehouden dient te worden bij de aanschaf van een kast en/of een aparte voeding.

Er zijn verschillende form-factors, maar ATX is op dit moment de meest gangbare. Kasten zijn meestal geschikt gemaakt voor verschillende form-factors.

XT XT (8.5 x 11" or 216 x 279 mm) - verouderd
AT 12 x 11"-13" or 305 x 279-330 mm) - verouderd
Baby-AT 8.5" x 10"-13" or 216 mm x 254-330 mm
ATX Intel 1996; 12" x 9.6" or 305 mm x 244 mm
Mini-ATX 11.2" x 8.2" or 284 mm x 208 mm
Micro-ATX 1996; 9.6" x 9.6" or 244 mm x 244 mm) - minder slots dan ATX, kan daardoor in een kleinere kast
FlexATX 1999; 9.6" x 9.6" or 244 x 244 mm max. - nog kleiner dan microATX
LPX 9" x 11"-13" or 229 mm x 279-330 mm - in slimline retail PCs
Mini-LPX 8"-9" x 10"-11" or 203-229 mm x 254-279 mm - in slimline retail PCs
NLX Intel 1999; 8"-9" x 10"-13.6" or 203-229 mm x 254-345 mm - vereist een card riser
Mini-ITX VIA Technologies 2003; 6.7" x 6.7" or 170mm x 170mm max.; 100W max.
Nano-ITX VIA Technologies 2004; 120mm x 120mm max.
BTX Balanced Technoloy eXtended 267 x 325 mm De nieuwe standaard??
BTX Micro 267 x 264 mm

BTX Pico

267 x 203 mm

 

BTX Balanced Technoloy eXtended. De nieuwe Intel standaard voor het moederbord.

Eind 2003 heeft Intel de ontwikkeling voor een nieuwe form-factor, welke als opvolger moet gaan dienen van ATX (Big Water), omgedoopt in BTX. Er is reeds lang behoefte aan een kleiner en stiller moederbord dan de reeds 8 jaar in gebruik zijnde ATX-formfactor.

De hele indeling van een moederbord is op de kop gezet, om te komen tot een ontwerp waarbij koeling en indeling een crusiale rol gaan spelen. Koeling bij de huidige generatie moederborden en processors is een levensgroot probleem. De processors worden heter en hebben daardoor meer koeling nodig. Meer koeling heeft ook meestal meer lawaai tot gevolg.

De uitbreidingssloten zijn verhuisd naar de andere kant van het bord en er is plaats gemaakt voor uitbreidingsloten voor de nieuwe PCI-Express kaarten. Eén PCI-Express 16x slot (4Gbyte/s) voor de opvolger van de AGP-kaart (AGP 3.0 (8x) 2,1GByte/s) . Twee PCI-Express 1x slots voor nieuwe uitbreidingen. Voorlopig zullen er voor de compatibiliteit met oude PCI-32 kaarten nog 4 slots beschikbaar zijn.

Of ze echt beschikbaar zullen zijn, zal evenwel afhangen van het formaat. Er komen drie formaten, welke alleen aan de kant van de uitbreidingslots zullen verschillen in afmeting. De kleinere varianten zullen namelijk eenvoudig minder PCI-slots bevatten. De indeling aan de kant van de CPU, het geheugen en de aansluitingen zal in alle modellen hetzelfde zijn qua lay-out. De BTX-micro zal de meeste PCI-32 slots moeten ontberen, en de BTX-pico ook één of beide PCI-Express 1x slots.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De  CPU is verplaatst naar de voorzijde van de kast, waar een koeler koude lucht over de processor en de achter liggende chipset kan blazen. De grafische kaart kan met een riser plat in deze luchtstroom kunnen worden geplaatst, zodat ook deze optimaal gekoeld kan worden. De witte plastic kap bedekt de "Thermal Module", wat hier nog een koelblok en een ventilator is, maar welke in de toekomst kan worden vervangen door nieuwere koelmethodes, zoals heatpipes of waterkoeling

De geheugenmodules zijn verplaatst naar een plek waar men makkelijk bij kan om deze of te vervangen of aan te vullen.

Ook de chipsets worden aangepast. Intel ontwikkelt voor BTX chipsets onder de codenamen Grantsdale en Alderwood, welke o.a DDR2 geheugen zullen ondersteunen.

Een van de eerste micro-BTX moederborden van Foxconn met Intel Grantsdale G en ICH6R (Zie chipset)

Ook het vermogen voor de verschillende componenten is opgevoerd.

De socket voor de CPU wordt veranderd. Socket 478 wordt vervangen door socket 775 voor pinloze processoren.

 

[ terug]

AGP

De Accelerated Graphics Port is een speciaal snel kanaal welke voor de aansluiting van een snelle grafische kaart met de Northbridge van de chipset.

De eerste versie van AGP (AGP 1x) werd ontwikkeld door Intel en zorgde voor een verdubbeling van de snelheid welke PCI-grafische kaarten konden realiseren (32bit op 66Mhz i.p.v.33Mhz), waardoor de datadoorvoer werd opgehoogd naar max. 266MB/s.

 

Daarna zijn nog verschillende verbeteringen in AGP aangebracht, welke worden gespecificeerd door aan te geven hoeveel keer de snelheid AGP heeft ten opzichte van de eerste versie.

Op dit moment gaat dat tot AGP 8x.

 
AGP 2x 32bit, 66Mhz double pumped, effectief 133Mhz, 533MB/s 
AGP 4x 32bit, 133Mhz double pumped, effectief 266Mhz, 1066MB/s 
AGP 8x 32bit, 266Mhz double pumped, effectief 533Mhz, 2133MB/s 

 

Deze waarden zijn evenwel nu nog alleen theoretisch. In de praktijk blijken de verdubbelingen niet gerealiseerd te kunnen worden. Alleen als grote hoeveelheden data moeten worden verwerkt, zoals bij complexe 3D-bewerkingen, blijkt de prestatieverbetering.

 

Verder zijn er AGP-Pro kaarten, welke de ruimte van twee kaarten in beslag nemen (de kaart bezet alleen het AGP-slot, maar neemt de ruimte van het naastgelegen PCI-slot ook in). Deze kaarten worden voor het zwaardere grafische werk gebruikt en verbruiken meer stroom. Ze zijn er in twee varianten: AGP Pro50 en AGP Pro110. De getallen geven het maximale vermogen in Watt aan van de kaarten. Een gewone AGP kaart verbruikt tot 25 Watt, de Pro-versies respectievelijk 25-50 Watt en 50-110 Watt. Die extra stroom wordt ontnomen van de naast liggende PCI-slots, die daardoor niet bruikbaar zijn voor andere doeleinden. Een AGP-Pro slot is langer dan een normaal AGP-slot.

 

AGP kent op dit moment drie versies. Hiermee worden de Intel-specificaties vastgelegd:

AGP 1.0, AGP 2.0 en AGP 3.0.

AGP 3.0 dateert van september 2002 en specificeert o.a. de werking van AGP 8x. AGP 8x is compatibel met AGP 4x, maar niet meer met AGP 1x en AGP 2x, want vanaf AGP 4x is de kloksnelheid verhoogt, en om dat te realiseren is het voltage verlaagt, van 1,5V naar 0,8V.

 

Zie verder de informatiepagina over VGA-kaarten

[ terug]

Diskcontrollers

 

De diskcontrollers welke op het moederbord zijn geïntegreerd bepalen welke en hoe drives en disks kunnen worden aangesloten.

[ terug]

FDD

De floppy is langzaam aan het verdwijnen, enerzijds omdat het een erg traag medium is, anderzijds omdat de capaciteit erg gering is voor de hedendaagse grote (hoeveelheid) bestanden. Daarnaast is het ook goedkoper om even iets op CD te branden. Ook de USB-sticks en flashmemory kaartjes worden steeds vaker gebruikt als tijdelijk opslagmedium. Deze zijn compact en hebben een veel grotere capaciteit.

Een floppydisk drive wordt op het moederbord aangesloten met een 34-pins flatcable en de kleine 4-pins voedingaansluiting. De rode ader van de kabel moet op pin 1 van de FDD worden aangesloten. Dat is meestal niet echt goed aangegeven. Is niet te zien wat pin 1 is, dan kan als leidraad aangehouden worden dat pin 1 aan de kant van de voedingsaansluiting zit (helaas niet altijd). Bij laptops, waar geen FDD is ingebouwd, wordt meestal een externe USB-FDD gebruikt.

Er zijn verschillende formaten floppies, met bijbehorende drives, maar tegenwoordig kom je vrijwel alleen nog 3,5 inch floppies en FDD's tegen. De standaard capaciteit van een floppy is 1,44 MB (ongeformatteerd 2 MB). Een floppy is een rond flexibel plastic plaatje bedekt met een laagje magnetisch materiaal, ingepakt in een hardplastic cassette om het zeer kwetsbare magnetische laagje te beschermen. De magnetische deeltjes kunnen worden gericht door een magnetische lees/schrijf-kop in de FDD, om op die wijze bits op het magnetisch oppervlak te schrijven. (Zelfde principe als een cassette recorder of een VCR.). Het magnetische plaatje draait met hoge snelheid rond en de lees/schrijfkop van de FDD kan zich verplaatsen van de buitenrand naar het midden van het plaatje, waardoor het hele oppervlak kan worden beschreven.

Partitioneren Het indelen van een harddisk in partities (delen). Elke partitie krijgt over het algemeen een drive-letter toegewezen, waardoor het lijkt alsof er meerdere harddisks aanwezig zijn. Vanuit DOS wordt gepartitioneerd met het DOS-programma FDISK.EXE. Bij XP wordt dat gedaan met Disk Management (Schijf Beheer) in Computer Management (Computer Beheer), een onderdeel van de Administrative Tools (Beheer tools). Het initiële partitioneren gebeurt meestal tijdens de installatie van het besturingssysteem. (Zie harddisks)
Formatteren Het indelen van de schijf in tracks (cirkels) en sectoren (taartpunten), om bestanden op specifieke plaatsen te kunnen wegschrijven en weer terug te kunnen vinden. (zie harddisks)

[ terug]

IDE / (P)ATA

Hiermee wordt de conventionele interface aangegeven waarmee harddisks en CDROM drives en/of DVD drives kunnen worden aangesloten op het moederbord. Met de komst van SATA wordt deze interface ook wel PATA genoemd, omdat dit een parallel interface is t.o.v. de seriële interface SATA.

Oorspronkelijk was ATA de interface voor uitsluitend harddisks, maar dat is later uitgebreid met ATAPI voor het aansluiten van CDROM drives ( en nu ook voor DVD schrijvers/spelers). ATA heeft ook een verandering ondergaan in de wijze waarop de drive wordt benaderd. Eerst werd het lezen/schrijven aan de CPU overgelaten (PIO), later werd dat DMA, waardoor de CPU enorm werd ontlast en de snelheid van de drives drastisch toenam.

Met de toename van de capaciteit van de drives moesten een aantal barrières genomen worden doordat drivers, besturingssystemen en BIOS-en beperking hadden ingebouwd voor wat betreft de ondersteunde capaciteit van de drives. Een paar van de meest bekende: 504Mb, 8 GB, 32Gb en 137Gb. Deze barrières konden meestal worden overkomen met software-updates. In enkele gevallen was echter een echte hardware-upgrade nodig.

Een IDE of ATA apparaat werd voorheen aangesloten met een 40-polige flatcable. Met de komst van UDMA66 werd dit een 80-polige flatcable met een maximale lengte van 18inch (±43cm). Beide met drie connectoren, één voor aansluiting op het moederbord en 2 voor het aansluiten van een apparaat. De meeste moederborden hebben 2 IDE aansluitingen, zodat maximaal 4 IDE apparaten kunnen worden aangesloten. Zijn meer aansluitingen nodig, dan kan dat gerealiseerd worden met een extra PCI-diskcontroller of RAID controller. Op één kabel moeten de IDE-apparaten m.b.v. jumpers worden ingesteld als master of slave. Bij apparaten welke ingesteld kunnen worden voor cable select, bepaalt de positie op de kabel of het apparaat master of slave is. Het apparaat aan het eind van de kabel is dan master. Bij sommige harddisks staat duidelijk op de disk aangegeven hoe ze moeten worden voorzien van jumpers. Ook bij deze flatcables is één ader rood. In tegenstelling tot bij FDD's is wel gestandaardiseerd dat deze kant van de kabel aan de kant van de voedingsaansluiting hoort.

De grote platte kabels hebben als vervelende bijwerking dat ze de luchtcirculatie in de kast ongunstig beïnvloeden. Om deze reden zijn ook ronde IDE-kabels verkrijgbaar.

 

Het principe waarmee een harddisk werkt is hetzelfde als bij een floppy. Alleen zijn bij een harddisk één of meer metalen platen (platters) voorzien van magnetisch materiaal (vandaar "harde" schijf). Het geheel is verpakt in een stofdichte metalen behuizing om de zeer kwetsbare platters en lees/schrijfkoppen te beschermen. Verder draaien deze platters met veel hogere snelheid rond, wat aangegeven wordt in rotations per minute (RPM). Er zijn 5400 rpm, 7200 rpm en 10.000 rpm schijven. Hoe sneller een schijf draait, des te eerder is een leeskop boven een positie op de schijf, wat met de toegangstijd (access time) wordt aangegeven. Dit geeft evenwel niet per definitie aan hoe snel de schijf is. Dat wordt aangegeven met de data doorvoersnelheid en wordt o.a. bepaald door de gebruikte interface (UDMA-versie) en de cache. Een grote cache, gecombineerd met intelligente cache software, kan de snelheid van de schijf enorm opvoeren.

IDE/PATA schijven gebruiken vrij veel stroom. Voor de datastransmissie wordt een 5V signaal gebruikt en voor het hoge toerental is ook aardig wat vermogen nodig. Hierdoor kan een harddisk aardig heet worden. Het is daarom verstandig de harddisk zodanig in de kast te plaatsen dat een goed luchtcirculatie om de harddisk voor koeling kan zorgen. Bij gebruik van veel harddisks is extra koeling vaak geen luxe.

Met de komst van USB 2.0 en Firewire is het interessant geworden een harddisk op zo'n poort aan te sluiten. USB- en Firewire-apparaten zijn hot swappable, waardoor het dus mogelijk wordt een extra harddisk aan het systeem te koppelen zonder het systeem te moeten uit zetten. Er zijn vele USB/Firewire-behuizingen verkrijgbaar waarin een IDE-harddisk kan worden ingebouwd, en ook complete externe harddrives. Een eenvoudige oplossing voor backups en transport van grote hoeveelheden data.

 

Voor CDROM-drives en DVD-drives wordt over het algemeen nog steeds de ATAPI interface gebruikt. Daarmee kunnen deze drives worden aangesloten op een IDE-interface. Deze drives zijn evenwel aanmerkelijk minder snel dan harddisks en halen UDMA66 niet, waardoor volstaan kan worden met een 40 polige flatcable om ze aan te sluiten. Ook voor CDROMs en DVDs geldt het master-slave verhaal. Waarbij het verstandig is om de CD- of DVD-brander te jumperen als master. Om van de harddisk het besturingssysteem te kunnen starten moet de harddisk meestal op de éérste IDE-interface op het moederbord worden aangesloten. De CDROM-drive en/of DVD drive daarom op de tweede IDE-interface. Welke de eerste en welke de tweede is, is niet gestandaardiseerd, dus opzoeken in de documentatie van het moederbord. Ook staat op het moederbord vaak IDE1 en IDE2 bij de twee interfaces.

Het is niet verstandig drives met verschillende snelheden op dezelfde kabel aan te sluiten, omdat daarmee de snellere drive vertraagd wordt door de tragere drive. Dus geen harddisk en CD of DVD op één kabel. Oudere generaties branders konden ook niet goed tegen het aansluiten van de brander(CDRW) en een CDROM (CDR) op één kabel, als on-the-fly (origineel in CDROM en kopie direct branden) moest worden gebrand. Het lezen van het origineel in de CDROM kon dan zorgen voor "buffer underruns" tijdens het branden, waardoor het branden mislukte. Voor branden was/is een continue datastroom naar de brander nodig. Werd die onderbroken, dan mislukte het branden. Dat is voor de huidige branders niet meer aan de orde. Deze hebben vrijwel allemaal een technologie, welke toestaat dat de datastroom kort mag worden onderbroken. Het alternatief is namelijk slechter. Als er maar twee IDE-aansluitingen zijn op een moederbord, dan moeten de CDROM en de harddisk op één kabel. Per merk brander heet die technologie soms anders. (Just Link / Burn Proof / Seamless-Link /Super Link / Smart Burn / Exac Link).

 

De meeste CDR/CDRW-drives en DVD/DVDRW-drives hebben een audio-uitgang voor aansluiting op de geluidskaart via een eenvoudig kabeltje. Als audio CD's moeten kunnen worden afgespeeld, dan moet dit kabeltje worden aangesloten. Bij onboard sound zit deze aansluiting op het moederbord. Zoek in de documentatie van het moederbord waar die aansluiting zit. DVD-drives en sommige CDROM-drives hebben meestal ook een S/PDIF (digitale) audio uitgang. Als de geluidskaart of onboard geluidskaart een dergelijke aansluiting heeft kan deze ook worden aangesloten. Meestal met een ander kabeltje.

 

IDE

Integrated Device Electronics

EIDE Enhanced IDE
AT Advanced Technology

ATA

AT Attachment

SATA

Serial ATA

ATAPI ATA Packet Interface
SCSI Small Computer System Interface
PIO Programmed Input/Output
DMA Direct memory Access
UDMA Ultra DMA 
UDMA0 16,7MB/s Dit zijn theoretische maxima voor de doorvoersnelheid. In de praktijk worden deze waarden gedrukt door protocol overhead, en verstoppingen op de PCI-bus. In de praktijk wordt nog niet de helft van de waarde gehaald. En alleen als de drive de data in zijn cache heeft staan en niet van de platters hoeft te lezen is de prestatie optimaal. Vandaar dat schijven tegenwoordig een behoorlijk cache onboard hebben.
UDMA1 25.0MB/s
UDMA2 / UltraATA 33,3Mb/s
UDMA3 44,4Mb/s
UDMA4 / UDMA66 / ATA66 66,7Mb/s
UDMA5 / UDMA100 / ATA100 100,0Mb/s
UDMA6 / UDMA133 / ATA133 133,3Mb/s

[ terug]

SATA

Serial ATA is de opvolger van parallel ATA. En zoals de naam al aangeeft wordt data serieel verstuurd in plaatst van parallel. Dat houdt in dat bits één voor één worden verstuurd i.p.v. meerdere bits tegelijkertijd over meerdere lijnen.

SATA heeft drie voordelen boven PATA:

hogere snelheid

Op dit moment is de snelheid nog 150Mb/s, maar SATA is ontworpen om uiteindelijk veel hogere snelheden aan te kunnen. Zo zal SATAII de snelheid verdubbelen en een snelheid van 600Mb/s is gepland voor 2007. Bij lage snelheden is parallel efficiënter dan serieel, maar bij hoge snelheid wordt het een probleem om om alle data-lijnen synchroon te laten lopen.  SATA gebruikt Low Voltage Differential Signaling (LVDS of LVD) in tegenstelling tot de "normale" methode waarop signalen werden doorgegeven. Bij een normaal signaal wordt op één draad een voltage gebruikt welke een waarde 0 of 1 voorstelt. B.v. +12V=1, -12V=0. De voltages mogen een bepaalde speling hebben. Wordt het voltage b.v. iets tussen +/- 6V, dan wordt dat beschouwd als geen signaal. Hierdoor zijn dergelijke signalen redelijk immuun voor ruis. Deze signalen kunnen echter niet met hoge snelheid worden doorgegeven door een aantal factoren. Wordt het voltage verlaagd, dan wordt het signaal gevoeliger voor ruis.

LVDS detecteert een signaal door het verschil in (een laag) voltage tussen twee draden te bepalen (±300mV). Ruis speelt nauwelijks een rol omdat ruis de neiging heeft alle draden op dezelfde manier te beïnvloeden, waardoor het verschil tussen de 2 draden hetzelfde blijft.

Hetzelfde principe wordt ook gebruikt bij HyperTransport, Firewire en SCSI-LVD.

kabels Voor SATA wordt een nieuw type 7-polige kabel gebruikt, welke tot 1 m lang kan zijn. Er is geen master en slave bij SATA, omdat maar één harddisk per kabel kan worden aangesloten. Op de connector zit een "key", waardoor kabels ook niet meer verkeerd om kunnen worden aangesloten.

 

 

 

Ook de voedingsconnector is anders (hoewel er op dit moment ook nog SATA-schijven zijn met de oude voedingsaansluiting). De 15 pins voedingsconnector levert zonodig 3 verschillende voltages: 3.3V, 5V en 12V.

hot swappable Hiermee wordt aangegeven dat apparaten kunnen worden ontkoppeld en aangekoppeld terwijl het systeem blijft functioneren. Voor een gewone PC zal dat geen erg interessante optie zijn, tenzij er meerdere disks in het systeem aanwezig zijn. De disk met het besturingssysteem zal uiteraard niet kunnen worden verwijderd, zonder dat het besturingssyteem crasht.

Tijdens de overgangsperiode van PATA naar SATA zullen verschillende conversiemogelijkheden beschikbaar komen, echter wel ten koste van een groot deel van de prestaties.

[ terug]

SCSI

SCSI (spreek uit skoezie) betekent "Small Computer System Interface", en is een standaard interface voor transport van data tussen apparaten op een computerbus. De eerste standaard door ANSI dateert van 1986 (X3.131-1986). Vanaf dat moment werd SCSI een standaard voor de volledige computerindustrie, en kon in vrijwel elk soort computersysteem worden gebruikt.

Er zijn SCSI-harddisks, CDROM-drives, scanners, enz.. Maar deze worden vrijwel uitsluitend toegepast in een omgeving waar hoge snelheid vereist is. Zo vindt je SCSI-harddisk vrijwel uitsluitend terug in servers. Door de over het algemeen veel hogere prijs voor SCSI-apparaten, worden deze meestal niet gebruikt voor de normale eindgebruiker-PC's.

Om een SCSI-apparaat aan te sluiten op een computer, is een SCSI-host adapter nodig en het SCSI-apparaat heeft een SCSI-controller (interface) nodig, deze is meestal in het apparaat ingebouwd. Beide worden verbonden met een geschikte kabel, waarop meestal meerdere apparaten kunnen worden aangesloten. Afhankelijk van het SCSI-type kan dat variëren van maximaal 8 tot maximaal 16 apparaten (inclusief de host-controller).Meestal wordt SCSI gebruikt voor het aansluiten van harddisks en tape-drives, maar er zijn ook andere apparaten, welke kunnen worden aangesloten zoals scanners, CDROM's, CDR's en DVD's. Omdat een SCSI-bus in principe apparaat-onafhankelijk is, kan theoretisch vrijwel elk apparaat op een SCSI-bus worden aangesloten, mits het apparaat een SCSI-interface heeft.

SCSI is door de jaren heen geëvolueerd. Voordat een overzicht wordt gegeven van deze evolutie, eerst een verduidelijking van enige termen welke in de standaards worden gebruikt en in het dagelijkse jargon van de SCSI Trade Association (SCSITA).

Er zijn eigenlijk maar drie SCSI-standaarden: SCSI-1, SCSI-2, and SCSI-3. Elke standaard is modulair en definieert mogelijkheden, welke door fabrikanten kunnen worden geïmplementeerd of niet. Sommige combinaties van mogelijkheden hebben een naam gekregen. Zo is de naam "Ultra SCSI" niet gedefinieerd in een standaard, maar wordt gebruikt om de SCSI-implementaties aan te geven welke twee keer de signaal-snelheid hebben van "Fast SCSI". Die snelheid is niet gedefinieerd in de SCSI-2 standaard, maar is een bij SCSI-3 toegestane mogelijkheid. Evenzo vereist geen van de standaarden Low Voltage Differential (LVD) signalen, maar er zijn Ultra-2 SCSI producten met deze mogelijkheid. Voor de consument is dat prettig, omdat de naam Ultra-2 SCSI beter definieert wat de mogelijkheden zijn dan het product domweg als SCSI-3 te identificeren.

Geen van de standaarden heeft ook gespecificeerd welk type connectoren gebruikt moeten worden. Ook de connectoren zijn geëvolueerd in de jaren. Hoewel SCSI-1 apparaten meestal gebruik maken van de grote Centronics connectoren en SCSI-2 apparaten meestal Mini-D connectoren, is het niet correct om daarnaar te refereren als SCSI-1 en SCSI-2 connectoren.

De belangrijkste implementaties van SCSI (in chronologische volgorde met algemeen gebruikte terminologie)

SCSI-1

De originele standaard was afgeleid van SASI en formeel geaccepteerd door ANSI in1986. Een variant op de originele standaard was de High Voltage Differential (HVD) implementatie, waardoor de kabellengte vele malen de 6 m van de standaardlengte overtrof. Vergeleken met de IDE-kabel is dat gigantisch.

SCSI-2

Deze standaard uit 1989  legde de basis voor Fast SCSI en Wide SCSI varianten. Fast SCSI verdubbelde de doorvoersnelheid tot 10 MB/s en Wide SCSI verdubbelde de busbreedte naar 16 bits daar nog bovenop (tot 20 MB/s). Alleen werd daardoor de maximale kabellengte gereduceerd tot 3 m. SCSI-2 specificeerde ook een 32-bit versie van Wide SCSI, door 2 16-bit kabels per bus te gebruiken. Dit is evenwel bijna nooit toegepast.

SCSI-3

Voordat Adaptec en later SCSITA de terminologie vast legden,werden de eerste parallel SCSI apparaten met specs boven SCSI-2 eenvoudig SCSI-3 genoemd. Deze appparaten werden in 1992 geïntroduceerd als Ultra SCSI en Fast-20 SCSI. De bussnelheid werd weer verdubbeld tot 20 MB/s voor "narrow" (8 bit) systemen en 40 MB/s voor wide. De maximale kabellengte bleef 3m, maar Ultra SCSI ontwikkelde een onterechte slechte reputatie voor gevoeligheid voor kabellengte, terwijl die instabiliteit meestal te danken was aan slechte connectoren, kabels en terminators (afsluitweerstanden).

Ultra2 SCSI

Deze standaard uit 1997 bevatte een Low Voltage Differential (LVD) bus (zie SATA). Daarom wordt Ultra-2 soms "LVD SCSI" genoemd. Door deze LVD technologie kon de kabellengte weer toenemen tot 12 m (minder ruis gevoelig). Tegelijkertijd werd de datadoorvoersnelheid opgevoerd tot 80 MB/s. Ultra-2 SCSI werd echter al snel opgevolgd door Ultra-3 (Ultra-160) SCSI.

Ultra-3 SCSI of Ultra-160

Uit einde 1999. Was feitelijk een verbetering van de Ultra-2 standaard door weer de doorvoersnelheid te verdubbelen tot 160 MB/s met double transition clocking. Ultra-160 SCSI bood nieuwe mogelijkheden zoals cyclic redundancy check (CRC), een fout correctie methode en domein validatie.

Ultra-320

Dit is de ultra-160 standaard waarbij de data doorvoersnelheid is verdubbeld tot 320 MB/s.

Ultra-640 of

Fast-320

Begin 2003 werd Ultra-640 vastgelegd als standaard (INCITS 367-2003 or SPI-5). Ultra-640 verdubbeld de data doorvoersnelheid weer tot 640 MB/s.

iSCSI SCSI over Internet. Een nieuwe mogelijkheid om SCSI-apparaten via een netwerkaansluiting te benaderen

Ultra-2, ultra-160 en ultra-320 apparaten kunnen door elkaar op een LVD-bus gebruikt worden zonder dat dit invloed heeft op de prestaties van apparaten, omdat de Host adapter met elk apparaat een overdracht snelheid en bus beheer vereisten onderhandeld. Wordt een z.g. single-ended apparaat aangesloten op een LVD-bus, dan moeten alle apparaten op die bus met de snelheid van dat apparaat communiceren.

SCSI apparaten zijn over het algemeen compatibel met oudere systemen, dus kan een Ultra-3 SCSI harddisk op een Ultra-2 SCSI controller worden aangesloten. De snelheid neemt dan alleen af.

SCSI is een bus waarbij meerdere SCSI-apparaten achter elkaar kunnen worden aangesloten op één kabel Elk SCSI apparaat (inclusief de host adapter in de PC) moet worden geconfigureerd met een unieke SCSI ID on the bus.

SCSI ID Jumper Settings

Via een serie jumpertjes op het SCSI-apparaat kan de ID worden ingesteld. Moderne SCSI-apparaten/controllers hebben dat niet nodig en hebben een auto-configuratie.

Dit voorbeeld is voor een bus met maximaal 8 apparaten. Voor ID's van 0-15 worden vier jumpers gebruikt.

Er is vaak ook nog een aparte jumper voor de terminator (afsluitweerstand).

0 off / off / off
1 off / off / on
2 off / on / off
3 off / on / on
4 on/ off / off
5 on / off / on
6 on / on / off
7 on/ on / on

De SCSI bus moet aan beide kanten worden afgesloten met een terminator (afsluitweerstand). Er zijn actieve en passieve terminators. Bij gebruik van passieve terminators is het nodig om met een jumper op laatste apparaat van de bus de terminator in te stellen (vrijwel elk SCSI-apparaat heeft die mogelijkheid). Bij gebruik van actieve terminators detecteert het apparaat zelf of het de laatste op de bus is. Over het algemeen heeft dat de voorkeur en is op een LVD bus zelfs noodzakelijk. Termination is een vaak voorkomende oorzaak van problemen met SCSI.

Het is mogelijk om een brede bus te converteren naar een smallere bus met een correcte connector convertor. Deze moet dan het brede gedeelte, wat niet gebruikt wordt, afsluiten met wat soms genoemd wordt High-9 termination. Het wordt evenwel niet aangeraden dit te doen.

SCSI interface overzicht

Interface

Bus snelheid

 (MBytes/s)

Bus breedte (bits)

Bussnelheid (MHz)

Max. kabellengte (meters)

Max. aantal apparaten

SCSI synchroon

5

8

5

6

8

SCSI asynchroon

3,5

8

5

6

8

Fast SCSI

10

8

10

1.5-3

8

Wide SCSI

20

16

5

1.5-3

16

Ultra SCSI

20

8

20

1.5-3

5-8

Ultra Wide SCSI

40

16

20

1.5-3

5-8

Ultra2 SCSI

40

8

40

12

8

Ultra2 Wide SCSI

80

16

40

12

16

Ultra3 SCSI

160

16

40

12

16

Ultra-320 SCSI

320

16

 

12

16

iSCSI

wordt alleen beperkt door de snelheid van het netwerk

 

 

 

 

[ terug]

RAID

 

RAID staat voor Redundant Array of Inexpensive Disks. Een bepaald type disks kan op een bijzondere wijze met elkaar verbonden worden. Het idee hierbij is meerdere disks te gebruiken om fouttolerantie in te bouwen. De fouttolerantie wordt gerealiseerd door data meerdere malen (redundant) op een bepaalde manier op de disks op te slaan. RAID kent verschillende vormen:

RAID0

De enige RAID, welke eigenlijk AID zou moeten heten, omdat redundantie niet mogelijk is, en er dus ook geen fouttolerantie is.

Deze vorm wordt ook wel striped set genoemd. Hiervoor zijn minimaal 2 disks nodig. In plaats van dat data op één disk wordt geschreven, wordt de data in blokken gehakt en deze worden om en om de de verschillende disks geschreven. Theoretisch moet dat na elkaar, maar praktisch kan dat vrijwel gelijktijdig, waardoor de schrijf- en lees-prestaties enorm kunnen toenemen als data achter elkaar moet worden gelezen en/of geschreven. Alleen random-access (willekeurig toegang) tot de schijf geeft geen prestatieverbetering.

Disk1 Disk2 Disk3 Disk4  
         
data5-1 data5-2 data5-3 data5-4 stripe5
data4-1 data4-2 data4-3 data4-4 stripe4
data3-1 data3-2 data3-3 data3-4 stripe3
data2-1 data2-2 data2-3 data2-4 stripe2
data1-1 data1-2 data1-3 data1-4 stripe1

Hoewel de prestaties worden verbeterd, neemt het risico toe. Bij uitval van één disk gaat alle data van de striped set verloren.

RAID1

Ook wel Mirror genoemd (of diskduplexing als ook de controller dubbel wordt uitgevoerd). Deze wel fouttolerante oplossing heeft twee disks nodig, waarbij de ene disk een complete kopie (mirror) is van de andere. Beide disks worden "gelijktijdig" (als de controller dat kan) beschreven, waardoor dezelfde schrijfprestaties haalbaar zijn als een enkele disk. Leesprestaties kunnen evenwel beter zijn, omdat van twee disks gelijktijdig kan worden gelezen.

Eén disk mag volledig uitvallen, zonder dat data verloren gaat. Deze disk kan dan worden vervangen waarna de controller er voor zorgt dat de nieuwe disk weer wordt bijgewerkt als een volledige kopie van de andere.

Dit is de eenvoudigste, maar ook de duurste RAID-oplossing, omdat 50% van de schijfcapaciteit niet benut kan worden.

RAID2

Dit is een striped set met fout correctie code (Hamming Code). Wordt vrijwel niet toegepast.

RAID3

Striped set met 1 controle disk, maar verwerkt maar één IO per keer. Wordt vrijwel niet toegepast.

RAID4

Striped set met 1 aparte parity-disk. Op één aparte disk wordt parity informatie weggeschreven, welke kan worden gebruikt om de data weer te herstellen bij uitval van één van de datadisks.

RAID5

Striped set met parity. Echter hierbij wordt de parity voor elke stripe weer op een volgende disk geschreven. De data wordt in blokken weggeschreven, verdeeld over de verschillende disks.

Disk1 Disk2 Disk3 Disk4
       
data5-1 data5-2 data5-3 parity5
parity4 data4-1 data4-2 data4-3
data3-1 parity3 data3-2 data3-3
data2-1 data2-2 parity2 data2-3
data1-1 data1-2 data1-3 parity1

Hoe meer disks gebruikt worden, hoe "goedkoper" (verhoudigsgewijs) deze RAID oplossing wordt.

Bij 3 disks is nog 33,3% verlies, bij 4 disks nog maar 25%, enz..

Minimaal 3 disks zijn nodig. Het maximum is in principe onbeperkt, maar wordt meestal beneden de 14 gehouden, omdat anders de MTBF (Mean Time Between Failures) te klein wordt. Hoe meer disks hoe groter de kans dat er een crasht.

Heeft uitstekende leesprestaties, maar schrijven is relatief traag door de extra parity welke berekend moet worden en op een andere disk moet worden weggeschreven. Als 1 disk crasht, dan kan deze worden vervangen en de data wordt dan hersteld op basis van de data op de andere disks en de parity-information

RAID6 Lijkt op RAID 5 maar er wordt extra parity berekend. Bij RAID 5 wordt parity alleen voor een horizontale streep berekend, bij RAID 6 worden de disks logisch gerangschikt in een matrix en wordt parity berekend voor rijen en kolommen. De parity wordt vervolgens weggeschreven op 2 verschillende disks.

Erg inefficiënt met weinig disks, maar heel fout-tolerant.

RAID1+0 De combinatie van RAID 1 en RAID 0. Meerdere mirrors worden in een striped set weggeschreven
RAID0+1 De combinatie van RAID 0 en RAID 1. Een striped set wordt volledig gemirrored.
JBOD Just a Bunch Of Disks. (Alleen maar een stel schijven) Dit is geen RAID, maar geeft aan dat een aantal disks gekoppeld kunnen worden, waarna ze benaderbaar zijn als één logische disk. Geen redundantie en geen prestatieverbetering zijn mogelijk.

Voor RAID is een speciale controller nodig, waar de disks op kunnen worden aangesloten. In enkele gevallen wordt een dergelijke RAID controller op het moederbord geïntegreerd.

Bij de borden welke SATA ondersteunen kan in veel gevallen een RAID0 of RAID1 oplossing worden geïmplementeerd via de BIOS. Meer kan niet met 2 SATA aansluitingen, omdat dan meer disks nodig zijn. De nieuwere chipsets ondersteunen vier SATA-aansluitingen, waardoor b.v. ook RAID1+0 en/of RAID0+1 mogelijk wordt.

[ terug]

[ naar begin pagina]

PS/2 poorten

 

De meeste moederborden hebben twee PS/2 aansluitingen. Eén voor de muis en één voor het toetsenbord. Meestal wordt hiervoor een 6-pins mini-DIN aansluiting gebruikt.

 

Een klein rond stekkertje (mail-plug) en een dito aansluiting (female).

Tegenwoordig vaak ook nog voorzien van een kleurcodering: groen voor de muis en paars voor het toetsenbord. Er zijn echter ook toetsenborden en muizen welke op een USB-poort kunnen worden aangesloten, waardoor een PS/2 aansluiting op het moederbord niet meer noodzakelijk is. Wordt geen kleurcodering gebruikt, dan is de aansluiting het dichts bij het moederbord vrijwel altijd de aansluiting voor het toetsenbord (in de afbeelding dus de onderste).

 

Voor een uitgebreide technische beschrijving van de PS/2 interface (Engels) zie

http://www.networktechinc.com/ps2-prots.html

[ terug]

Seriële poorten

 

De seriële poort werd vroeger vooral gebruikt voor het aansluiten van een seriële muis, maar omdat hiervoor tegenwoordig vrijwel altijd of PS/2 of USB voor wordt gebruikt is die functie nu vrijwel overbodig. De seriële aansluiting wordt nu vooral nog gebruikt voor externe modems of andere bijzondere (niet standaard) apparatuur, zoals apparaten welke data met de PC moeten kunnen uitwisselen (telefooncentrale, handheldPC, UPS, enz..)

Via de seriële poort wordt data bit voor bit volgens de RS-232 standaard via een bepaald protocol (reeks afspraken) verstuurd. Oorspronkelijk werd hiervoor een 25-pin D-connector gespecificeerd, terwijl er eigenlijk maar een paar draadjes nodig zijn. Eén voor uitvoer, één voor invoer en een paar draadjes voor de besturing. Uiteindelijk werd daarom een 9-pins aansluiting gebruikt, waarvoor IBM de aanzet heeft gedaan bij de oorspronkelijke IBM-PC. De oude seriële verbinding is een erg trage verbinding en is inmiddels grotendeels vervangen door de veel sneller USB.

 

Om software-matig van een seriële poort gebruik te kunnen maken, moet het besturingssysteem een COM-poort koppelen aan de poort. Seriële poorten worden daarom ook wel COM-poorten genoemd. Elke COM-poort heeft een IRQ nodig (Zie woordenlijstje helemaal onderaan). In veel systemen zijn 2 COMpoorten aanwezig, welke over het algemeen niet gebruikt worden. Het kan dus voorkomen dat het systeem IRQ's tekort komt, terwijl er 2 COMpoorten elk een IRQ gebruiken. In dat geval kan één (of eventueel beide) poort in de BIOS worden uitgeschakeld, om IRQ's vrij te maken.

 

[ terug]

Parallel poorten

Een parallelle poort is een aansluiting waarbij meerdere bits (8 bits) gelijktijdig worden verzonden. De meest gebruikte en hier bedoelde poort is de oude Centronics poort voor het aansluiten van een printer.

Centronics 36 pins male-connector

van de parallel-kabel voor aansluiting op de printer

Links USB-aansluiting, rechts centronics

36pins female-connector op een printer

De meeste printers van tegenwoordig hebben evenwel een USB-poort, omdat de dataoverdracht via een USB-poort sneller gaat. Te verwachten valt dat de parallelle poort dan ook langzaam zal verdwijnen.
De parallelle poort kan ook gebruikt worden voor aansluiting van andere apparaten, zoals scanners, CDROM-drives, enz..

Oorspronkelijk is de poort ontworpen voor uitsluitend output van data. Latere versie voegden daar functionaliteit aan toe zodat een apparaat ook gegevens naar de PC terug kan sturen (bidirectioneel). Hoe de poort werkt, wordt bepaald door de instelling in de BIOS. Daar kan gekozen worden of de poort werkt in SPP-, ECP- of EPP-mode. ECP voegt bijvoorbeeld datacompressie toe tot een verhouding van 64:1 en ondersteunt kanaal adressering, wat gebruikt kan worden voor het adresseren van meerder apparaten (niet achter elkaar - daisy-chained - maar voor de veel voorkomende multifunctionals - fax/scanner/copier/printer)

 

SPP Standard Parallel Port (lengte kabel is afhankelijk van kwaliteit
EPP (IEEE1284) Enhanced Parallel Port (max 10 m kabel van goede kwaliteit)
ECP (IEEE1284) Extended Capabilities Port (max 10 m kabel van goede kwaliteit)

[ terug]

USB (Universal Serial Bus)

Moederborden hebben tegenwoordig een flink aantal USB-poorten (tot 8). Deze kunnen aanwezig zijn op het voorpaneel van de kast (is dus van de kast afhankelijk of deze daar aansluitmogelijkheden voor hebben) en op het achterpaneel. Op het achterpaneel kunnen ze geïntegreerd op het moederbord zijn, of ze kunnen worden gemonteerd op de plaatst van een PCI-kaart.

 

USB is een seriële bus, wat impliceert dat de bits één voor één worden verstuurd. Wat de bus bijzonder maakt is dat op die bus meerdere externe apparaten kunnen worden aangesloten in een boomstructuur. Op elk van de aanwezige USB-poorten kan een USB-hub worden aangesloten, waarbij elke hub weer meerdere USB aansluitmogelijkheden heeft. In totaal kunnen 127 USB apparaten aangesloten worden, waarbij alle USB-hubs moeten worden meegeteld. Hubs kunnen evenwel niet oneindig worden doorgelust. Maximaal 5 niveaus zijn toegestaan.

 

Er zijn hubs met voeding (active hub) en zonder. Welke gebruikt moet worden hangt af van het apparaat wat moet worden aangesloten. Apparaten welke weinig stroom gebruiken kunnen hun voeding onttrekken aan de USB-aansluiting, in dat geval is een active hub nodig (levert 500mA bij 5V). Moeten apparaten worden aangesloten, welke door hun grote stroombehoefte een eigen voeding hebben, dan kan een passieve hub gebruikt worden. Moet een hub op een hub worden aangesloten, dan moet de tussenliggende hub ook een active hub zijn.

Een heel prettige eigenschap van USB is dat USB-apparaten hot-swappable zijn, wat inhoudt dat de apparaten kunnen worden aangesloten en losgekoppeld terwijl de PC aan blijft.

 

Naast de hubs, USB-kabels, en USB-apparaten is een USB-hostcontroller nodig. Deze is aanwezig op het moederbord en daar zijn 3 versies van:

 

USB 1.0

1.5Mbits/s (max kabellengte 1,5m UTP 4x20AWG of 28 AWG)

USB 1.1

Hernoemd tot USB Full-Speed. 12 Mbits/s (max kabellengte 5m STP 4x 20/28AWG)

USB 2.0

USB High-Speed. Ondersteunt 3 snelheden 1.5, 12 en 480 Mbits/s. Is compatibel met USB1.0 en USB 1.1 (snelheid wordt dan teruggeschakeld).

 

Het hernoemen van USB 1.1 in USB 2.0 Full Speed is voor de consument heel vervelend, want dat betekent dat een fabrikant van een USB 1.1 apparaat deze mag verkopen als een USB 2.0 apparaat. Let dus op de aanduiding FULL SPEED.

 

A-connector

Een USB-kabel bevat meestal twee soorten connectoren: een A-connector en een B-connector. De A-connector is voor aansluiting op het moederbord (upstream), de B-connector wordt gebruikt voor het aan te sluiten apparaat (downstream). Er zijn ook A/A verlengkabels, met een male en een female A-connector.

B-connector. Worden meestal gecombineerd in een A/B-kabel

 

Redelijk nieuw is de 4-pins Mini-USB connector voor kleine USB-apparaten zoals camera's. Male (op de kabel) Female (op het apparaat)

De kabel zelf bevat 4 draden: een rode +5V, een zwarte aarde draad, en een getwist paar (groen en wit of geel en blauw) voor de data (D+ en D-) (de dikte van de draad wordt uitgedrukt in AWG= American Wire Gauge - hoger=dunner). De kabel is daarnaast vrijwel altijd ook nog afgeschermd (STP: Shielded Twisted Pair). Niet afgeschermd (UTP=Unshielded Twisted Pair) kan ook, maar wordt alleen voor USB 1.0 gebruikt. De maximale lengte van een USB-kabel is 5 m. Dit gecombineerd met het aantal hub-niveaus, zorgt dat voor een maximale afstand van 30 m tussen apparaat en host-controller.

 

Opletten: Op het moederbord moet een USB-connector soms worden aangesloten met losse stekkertjes voor elk van de vier losse draadjes (+5V, D+, D- en ground) en niet met een connectorblokje zoals in de afbeelding hiernaast. De volgorde waarin dat moet is evenwel niet gestandaardiseerd, waardoor het erg belangrijk wordt in de documentatie van het moederbord te lezen in welke volgorde dat moet. Verkeerd aansluiten heeft vrijwel altijd beschadiging van het moederbord tot gevolg, door de +5V welke dan op een verkeerde aansluiting wordt gezet.

USB On-The-Go

Deze nieuwe ontwikkeling is ontstaan uit de behoefte USB-apparaten, welke meestal draadbaar (portable) zijn, onderling te laten communiceren, zonder een PC met een Host-controller.

De On-The-Go aanvulling (inmiddels versie 1.0a) specificeert de volgende uitbreidingen:

  • Beperkte host mogelijkheden om te communiceren met andere USB apparaten

  • Een kleine USB connector, om kleine mobiele apparaten te kunnen aansluiten (denk aan telefoon)

  • Minder stroomverbruik om de levensduur van batterijen te sparen

  • Een apparaat kan zowel host als aansluitapparaat zijn. Dus ze krijgen een dubbele rol.

[ terug]

Firewire (IEEE1394) of iLink (van Sony)

 

Naast USB is door Apple een tweede seriële bus ontwikkeld. Deze bus is evenwel veel sneller dan USB. Firewire kon worden beschouwd als de snelle seriële bus en USB als de langzame, hoewel de nieuwe USB High Speed deze definitie teniet doet. Het is een snelle bus voor transport van grote hoeveelheden data en wordt daarom vooral gebruikt voor digitale video camera's en apparaten welke gegevens opslaan.

Firewire is door IEEE gedefinieerd als standaard onder nummer 1394, en wordt beschreven in drie documenten:

1995: IEEE1394 (100, 200 en 400 Mbit/s) (eigenlijk 98.304, 196.608 en 393.216 Mbit/s)

2000: IEEE1394A (400 Mbit/s) functionele verbetering van 1394

2002: IEEE1394B = Firewire 800 (800 Mbit/s) (eigenlijk 786.432 Mbit/s).

 

Firewire kent geen hostcontroller, zoals bij USB. Alle apparaten zijn elkaars gelijke (peer-to-peer) Apparaten kunnen achter elkaar doorgekoppeld worden. (OHCI=Open Host Controller Interface)

Apparaten kunnen ook aan een hub gekoppeld worden. Wordt een apparaat gebruikt als koppeling, dan heeft dat apparaat een eigen voeding nodig, omdat deze dan werkt als een repeater (versterker) van het signaal naar het achterliggende apparaat. In de computer moet een Firewire hub aanwezig zijn (welke toch vaak de Hostadapter wordt genoemd), b.v. in de vorm van een PCI-kaart of een PCMCIA-kaartje (PCcard).

 

Firewire 400

Tot 63 apparaten kunnen achter elkaar gekoppeld worden met kabels tot maximaal 4,5 m lengte. Een kabel is  heeft 6 aders, 4 voor data (28 AWG, getwist) en 2 (22 AWG) voor voeding en aarde (tot max 60 watt). 16 kabels kunnen maximaal doorgekoppeld worden, zodat een maximale kabellengte van 72 meter kan worden bereikt. (Sony's I-Link gebruikt de voedingsdraden niet. Sony apparaten hebben een eigen voeding).

Firewire 400  gebruikt D/S codering (Data/Strobe), een coderingssysteem waarbij 2 signaaldraden worden gebruikt, welke klok regeneratie mogelijk maakt. In één klokcyclus wordt alleen één van beide gewijzigd.

 
IEEE 1394- 4-pin IEEE 1394 6-pin

IEEE 1394 9-pin

 

Firewire 800

Dit is de naam welke Apple gegeven heeft aan de IEEE1494B standaard, welke een optische verbinding beschrijft. Deze kan verbindingen tot 100 m aan met een snelheid tot 3,2 Gbit/s, waardoor Firewire zijn naam weer eer aan doet en veel sneller is dat USB 2.0.

De connectie is een 9-pin's verbinding met 3 paren voor data en 3 voor voeding.

Firewire 800 heeft 8B10B (beta-mode) als coderingssysteem toegevoegd, waardoor veel snellere en betrouwbaardere data overdracht kan plaats vinden, ondanks de lange kabellengtes.

Met de juiste connectoren is Firewire 800 compatible met Firewire 400.

 

 

Waarom Firewire niet de de-facto standaard voor aansluiting van externe apparatuur is geworden is te danken aan het feit dat Apple van producenten van firewire apparatuur royalties vraagt voor zijn uitvinding en dat Firewire apparatuur over het algemeen hogere productiekosten heeft. Hierdoor is USB toch populairder dan Firewire.

 
IEEE Institute of Electrical and Electronics Engineers, een standaardiserings instituut welke zich bezig houdt met het definieren van standaarden voor de beschrijving van met name de fysieke en elektrische eigenschappen van apparaten. (Engels: I-triple-E)

[ terug]

Netwerk-interface

 

Een netwerk-interface wordt gebruikt voor de aansluiting op het netwerk. In de PC kan deze aanwezig zijn als aparte netwerkkaart of geïntegreerd op het moederbord. Er zijn zeer veel verschillende netwerkkaarten/interfaces, voor een groot aantal verschillende soorten netwerk. De meest gebruikte is (fast) Ethernet. Ethernet is een standaard voor verschillende netwerken, verschillend in snelheid en verschillend in bekabeling (koper/glas/draadloos).

Op een moederbord wordt meestal een 10/100 Mbps (Fast Ethernet) of een 100/1000 Mbps (Gigabit Ethernet) interface geïntegreerd voor Ethernet over koperen bekabeling. (De interfaces kunnen meestal schakelen tussen verschillende snelheden op basis van de capaciteit van de aangesloten apparaten.) De RJ45 aansluiting wordt gebruikt voor Cat5 of Cat5E kabels.

Voor een klein thuisnetwerkje, bedoeld om meerdere PC's met het Internet te verbinden, is een 10/100 interface al meer dan voldoende. Internet is niet sneller dan 10 Mbps (hoewel er wel aan gewerkt wordt om dit te verhogen voor bedrijven en Universiteiten).

Bijna alle apparatuur welke gebruikt wordt voor een verbinding met het Internet bevat Ethernet aansluitingen.

Zie verder Netwerken

 

ISDN-apparatuur gebruikt ook RJ45 connectoren. Verwar deze niet met de RJ45 aansluiting voor het netwerk.

 

Woordenlijstje

LAN Local Area Network: het interne netwerk
WAN Wide Area Network: het externe netwerk (b.v. het Internet)
RJ45 Connector type voor netwerkbekabeling
CAT5(E) Categorie 5 of Categorie 5 Enhanced kabel, specificeert een UTP-kabel voor 100Mbit/s transmissie volgens standaard EIA/TIA-568 (A/B). Elk aderpaar heeft een vast aantal twists en dit aantal is per paar weer verschillend.
UTP Unshielded Twisted Pair, niet afgeschermde kabel met meerdere aderparen welke om elkaar heen zijn gedraaid, om overspraak tussen de aders te voorkomen.
overspraak Het ongewenste verschijnsel dat het signaal in een ader wordt doorgegeven aan een ader ernaast.
demping (Attenuation) Het verschijnsel dat het signaal zwakker wordt, naarmate het een grotere afstand af legt. Dit resulteert daarom altijd in het vast leggen van een maximale kabellente.

[ terug]

Geluid

 

De meeste moederborden hebben een geluidskaart geïntegreerd op het moederbord. In feite niet meer dan een Codec (Coder/Decoder) voor conversie van digitaal van en naar analoog. De "standaard" is nu nog de AC97 (Audio Codec 1997; 128Kbit/s) van Intel, maar deze zal langzaam verdwijnen om plaats te maken voor vernieuwde en verbeterde technologie, zoals Intel's 8-kanaals High Definition Audio (192Kbit/s).

 

Het moederbord biedt hierdoor standaard aansluitmogelijkheden voor boxen, een microfoon en een line-in voor aansluiting van een externe geluidsbron.

Wat is echter standaard op het gebied van geluid. Stereo, Dolby Digital 5.1 of Dolby Digital 7.1?

Alles wordt op dit moment aangeboden, dus is de vraag hoe belangrijk dat PC-geluid is. De PC wordt meer en meer gebruikt als audio-bron door al die MP3-bestanden die gedownload kunnen worden van het Internet. Afspelen via de speakerset van de PC is kwalitatief meestal niet geweldig. Vergeleken met de speakers van de stereo-installatie zijn ze zelfs slecht te noemen (er van uitgaand dat een goede stereo-installatie aanwezig is). De PC via de Line-out aansluiten op een goede versterker geeft vaak een aanmerkelijk beter geluid dan de eenvoudige boxjes.

Gamers zullen vaak hogere eisen stellen aan het geluid en b.v. Dolby Digital 5.1 verlangen, en daar een speciale Surround speakerset bij aanschaffen (2 front, 2 rear, 1 centre speaker en een subwoofer).

 

Onboard geluidskaarten kunnen een veelheid aan mogelijkheden bevatten. Eén en ander hangt ook weer samen met de chipset op het moederbord. De southbridge op het moederbord werkt samen met de audio codec. En die chip moet de mogelijkheden van de audio codec ook ondersteunen. Zo is b.v. S/PDIF toegevoegd aan AC '97 versie 2.2 en aan 7/8-kanaal ondersteuning aan AC '97 versie 2.3.

 

Op het moederbord kan een aansluiting aanwezig zijn voor de aansluiting van een audio-frontpanel, behorende bij de systeemkast, waardoor de geluidsaansluitingen i.p.v. aan de achterzijde van de kast, aan de voorzijde kunnen worden gebruikt.

 

Dit geldt bovendien ook voor eventuele USB- en Firwire-aansluitingen.

 

 

 
full-duplex gelijktijdig opnemen en afspelen
Dolby Surround uitbreiding van het geluidseffect van 1 naar meerdere bronnen uit verschillende richtingen (beschrijft de geluidsbron(nen))
Dolby Pro Logic 4-kanaals analoog surround geluid systeem (beschrijft de geluidsprocessor)
Dolby Pro Logic II 6-kanaals analoog surround geluid systeem; 5 boxen en 1 subwoofer
Dolby Pro Logic IIx 7/8-kanaals analoog surround geluid systeem; 7 boxen en 1 subwoofer
Dolby Digital De opvolger van Pro Logic. Volledig gescheiden digitale kanalen. (beschrijft de geluidsprocessor). AC-3 data reductie systeem van Dolby Laboratories. Wordt gebruikt voor volledig digitale geluidsbronnen, zoals DVD, cinema soundtracks,
Dolby Digital 5.1 5-kanaals 2 front, 2 rear, 1 front-centre, 1 subwoofer
Dolby Digital 5.1 EX (6.1) toevoeging van een rear-centre signaal, welke wordt verdeeld tussen de twee rear-speakerkanalen.
Dolby Digital 7.1 toevoeging van twee surround signalen, welke wordt verdeeld tussen de twee rear-speakerkanalen, als er geen 4 rear-speakers zijn
MP3 MPEG 1/2 layer 3, een audio compressie algoritme (18-48 KHz)
AAC Advanced Audio Coding, moet MP3 gaan opvolgen (uitbreiding van MPEG-2 en verbeterd in MPEG-4) (8-96 KHz, tot 48 kanalen). Het is evenwel waarschijnlijker dat Ogg-Vorbis de opvolger van MP3 wordt.
MPEG Moving Picture Experts Group (werkgroep van ISO/IEC)
MPEG-1 Audio en Video coderingsstandaard, met mindere kwaliteit dan een VCR, voor Video CD
MPEG-2 Voor televisie-uit\zendings kwaliteit via b.v. digitale satelliet TV, kabel TV en DVD
MPEG-3 Oorspronkelijk voor HDTV, maar bleek weinig toe te voegen aan MPEG-2, waarna de ontwikkeling werd gestopt.
MPEG-4 (MP4) Compressie methode voor lage snelheid tot max 4 Mbit/s (Internet Streaming Media)
S/PDIF Sony/Philips Digital Interconnect Format, een methode om digitale stereo-signalen te transporteren tussen verschillende apparaten, via koper of glas (afhankelijk van de aansluitingsmogelijkheden. Kan b.v. gebruikt worden om de CD- of DVD-speler aan te sluiten op de geluidskaart.
sample rate

De snelheid waarmee een geluidsfragment kan worden afgespeeld. HiFi stereo CD kwaliteit heeft een sample snelheid van 128Kbit/s. (FM radio: 80 Kbit/s) Het menselijk oor is over het algemeen niet in staat meer op te vangen, vandaar dat MP3's over het algemeen op deze snelheid worden opgenomen. Door een hogere sample rate te gebruiken, treedt minder verlies op, maar wordt het bestand groter. Bij compressie gaat het om algoritmes te bedenken, waarbij informatie kan worden weggehaald, zonder dat dit tot kwaliteitsverlies leidt.

MPEG-1 specificeert drie lagen compressie:

Layer1 compressie 4:1 (384 Kbit/s)

Layer2 compressie 6:1 ... 8:1 (192 ... 256 Kbit/s)

Layer3 compressie 10:1 ... 12:1 (112 ... 128Kbit/s) (= MP3)

Dit zijn evenwel niet echt realistische waarden, omdat de kwaliteit ook afhangt van de encoder.

Layer 1 is uitstekend bij 384 Kbit/s

Layer 2 is uitstekend bij 256 ... 320 Kbit/s, slecht beneden 160 Kbit/s

Layer 3 is uitstekend bij 224 ... 256 Kbit/s, slecht beneden 128 Kbit/s

[ terug]

Smartcards
Een smartcard is een kleine chip, ingebed op een kaartje met het formaat van een creditcard of zelfs nog kleiner, zoals een GSM SIMkaartje. Smart card worden voor een veelheid van doeleinden gebruikt, zoals chipknip, telefoonkaarten, enz..

In combinatie met een computer kan een dergelijk kaartje een digitaal certificaat bevatten, met de informatie over b.v. een netwerkgebruiker. Als de PC een smartcard-reader heeft, dan kan de gebruiker zich bij het netwerk aanmelden met dat kaartje en een bijbehorende pincode, in plaats van een gebruikersnaam en een wachtwoord.

Sommige moederborden bevatten een aansluiting voor een smartcard-reader, zodat een reader in de PC kan worden ingebouwd. Deze toepassing is op dit moment eigenlijk alleen zinnig in een bedrijfsomgeving in combinatie met een netwerk waar de werknemers zich bij moeten aanmelden. Smartcard-readers zijn tegenwoordig ook goed verkrijgbaar met een USB-interface, zodat een speciale aansluiting op het moederbord niet noodzakelijk is. Een speciale aansluiting op het moederbord biedt evenwel vaak nog de extra beveiliging dat een PC niet op te starten is zonder de smartcard.

[ terug]

PCI-slots

 

Een slot is de positie op een moederbord waar een uitbreidingskaart in kan worden gestoken.

Er zijn slots voor diverse bussen. De PCI-bus is een 32-bit bus. PCI=Peripheral Component Interconnect. Deze bus heeft de standaard 16-bit ISA-bus opgevolgd en is nu de standaard voor de wijze waarop uitbreidingskaarten kunnen worden aangesloten op een moederbord.

Op het moederbord kunnen evenwel ook PCI-apparaten geïntegreerd worden, zoals geluidsmodulen of netwerkmodulen.

 

PCI heeft de volgende specificaties:

  • 33.33MHz kloksnelheid met synchrone overdracht
  • 133MB per seconde als top voor de overdrachtsnelheid
  • 32-bit bus breedte
  • 32-bit adres ruimte (4 GBytes)
  • 3.3 volt of 5 volt signalen
  • reflected-wave switching

Inmiddels zijn daar ook nog varianten op:

  • PCI 2.2, voor 64-bit bus breedte en/of 66MHz signalen (top overdracht 533 MB/s)
  • PCI-X, 64-bit versie van 2.2 waarbij de overdrachtssnelheid is opgevoerd tot 133MHz (top overdrachtsnelheid 1066 MB/s)
  • PCI-X 266 (of PCI-X DDR), "double-pumped" PCI-X voor 266MHz snelheden (top overdracht 2133 MB/s)
  • Mini PCI
  • Compact PCI, voor modules met de afmetingen van een Eurocard waarbij PCI als  backplane wordt gebruikt
  • PCI-Express (of 3GIO), een seriële bus welke PCI signalen en programmering concepten gebruikt. Dit gaat waarschijnlijk de opvolger worden van de huidige PCI-bus.

Een belangrijke eigenschap van PCI is dat PCI-apparaten Plug&Play zijn. Tijdens het opstarten van de PC onderhandelt de BIOS van de PCI-kaart met de BIOS van de PC over de resources welke het apparaat nodig heeft. Hierdoor worden al tijdens het opstarten de IRQ's, poortadressen, DMA-kanalen en geheugenlokaties (zie woordenlijstje hieronder) aan het PCI-apparaat toegewezen. Bij de ISA-bus moest dit nog handmatig door b.v. jumpers te plaatsen op de ISA-kaart.  

Verschillende PCI-slots: De korte is een "gewone" 32-bit. De lange een 64-bit. Vaak zijn ze compatibel, waardoor een korte 32-bit kaart ook in het lange 64-bit slot kan worden geplaatst. Zijn ze niet compatibel (rechts), dan zorgt een "key" in het slot er voor dat een 32-bit kaart niet in een 64-bit slot kan worden geplaatst.

 

Van PCI-Express zijn ook weer verschillende varianten met verschillende maximale bandbreedtes. PCI-Express is een seriële bus met meerdere kanalen. Elk kanaal heeft een bandbreedte van 256MByte/s. Deze kanalen kunnen worden gebundeld om meer bandbreedte te krijgen. De PCI-Express kaarten krijgen als toevoeging het aantal kanalen wat ze gebruiken.

Zo heeft PCI-Express 1 x een bandbreedte van 256MByte/s en PCI-Express 16x heeft een bandbreedte van 16 x 256MByte/s = 4 GByte/s. Daarnaast zullen sommige PCI-Express apparaten in Duplex Mode kunnen werken, waardoor de bandbreedte nog eens verdubbeld kan worden.

Naast Plug&Play is PCI-Express ook hot swappable, waardoor een kaart vervangen kan worden, terwijl de PC aan kan blijven.

Standaard Bus Breedte Kloksnelheid Datadoorvoer
PCI 2.3 32 Bit 33 MHz
66 MHz
133 MB/s
266 MB/s
PCI 64 64 Bit 33 MHz
66 MHz
266 MB/s
533 MB/s
PCI-X 1.0 64 Bit 66 MHz
100 MHz
133 MHz
533 MB/s
800 MB/s
1066 MB/s
PCI-X 2.0 (DDR) 64 Bit 133 MHz 2132 MB/s
PCI-X 2.0 (QDR) 64 Bit 133 MHz 4264 MB/s
PCI Express 1 Lines, 8 Bit 2.5 GHz 512 MB/s
PCI Express 2 Lines, 8 Bit 2.5 GHz 1 GB/s (Duplex)
PCI Express 4 Lines, 8 Bit 2.5 GHz 2 GB/s (Duplex)
PCI Express 8 Lines, 8 Bit 2.5 GHz 4 GB/s (Duplex)
PCI Express 16 Lines, 8 Bit 2.5 GHz 8 GB/s (Duplex)
PCI Express 32 Lines, 8 Bit 2.5 GHz 16 GB/s (Duplex)

 

Diverse video's over PCI-Express

Woordenlijstje

IRQ

Interrupt Request

Het signaal dat daar een apparaat gebruikt kan worden om de aandacht te trekken van de CPU. Elk apparaat heeft zijn eigen interrupt, waardoor de CPU weet welk apparaat wil communiceren met de CPU. Dit wordt afgehandeld door twee Programmable Interrupt Controllers (PIC), een 8259A-chip en een 8259B-chip.

In de eerste PC's zat maar één PIC, waardoor maar 8 IRQ's beschikbaar waren. Later is de tweede erbij gekomen om op 16 IRQ's te komen. Sommige moederborden kunnen nu 32 IRQ's aan.

8259A

8259A+8259B

irq 0 = 8253 clock tick

irq 1 = keyboard

irq 2 = gereserveerd voor 8259B

irq 3 = COM 1 and COM 3

irq 4 = COM 2 and COM 4

irq 5 = LTP

irq 6 = primaire IDE 

irq 7 = secondaire IDE

 

 

irq 0 = systeem timer

irq 1 = keyboard

irq 2 = naar irg9 van 8259B

irq 3 = COM 1 and COM 3

irq 4 = COM 2 and COM 4

irq 5 = LTP2

irq 6 = FDD

irq 7 = LPT1

irq 8 = Real-time clock

irq 9 = irq2 omgeleid van 8259A

irq 10 =

irq 11 =

irq 12 = PS/2 muis

irq 13 = FPU Math coprocessor

irq 14 =primaire IDE

irq 15 =secundaire IDE

Poortadres Dit is de geheugenlokatie (of lokaties) welke als "doorgeefluik"gebruikt wordt door het PCI-apparaat en de CPU om onderling te kunnen communiceren. Apparaten welke veel data uitwisselen met de CPU gebruiken meestal meer dan één poortadres.
DMA-kanaal Trage apparaten, welke veel data moeten doorgeven aan de CPU, zouden de CPU te lang ophouden. Daarom kunnen ze een Direct Memory Access kanaal krijgen, waarmee de data eerst in het veel snellere RAM-geheugen kan worden geplaatst, zonder dat de CPU zich daar mee moet bemoeien.
geheugenlokatie Sommige apparaten hebben geheugen ruimte nodig om de data welke de apparaten moeten verwerken in te kunnen opslaan. Voorbeelden zijn netwerkkaarten, grafische kaarten.

[ terug]

[ terug]