Les 11

Zet de twaalf werkwoorden in een schema

.

  noemen     werken
tegenwoordige tijd verleden tijd   tegenwoordige tijd verleden tijd
ik   ik
hij   hij
wij   wij
voltooid deelwoord:   voltooid deelwoord:
bijvoeglijk met e:   bijvoeglijk met e:
tegenwoordig deelwoord:   tegenwoordig deelwoord:

 

  branden     rusten
tegenwoordige tijd verleden tijd   tegenwoordige tijd verleden tijd
ik   ik
hij   hij
wij   wij
voltooid deelwoord:   voltooid deelwoord:
bijvoeglijk met e:   bijvoeglijk met e:
tegenwoordig deelwoord:   tegenwoordig deelwoord:

 

  beloven     verbazen
tegenwoordige tijd verleden tijd   tegenwoordige tijd verleden tijd
ik   ik
hij   hij
wij   wij
voltooid deelwoord:   voltooid deelwoord:
bijvoeglijk met e:   bijvoeglijk met e:
tegenwoordig deelwoord:   tegenwoordig deelwoord:

 

  plonzen     roven
tegenwoordige tijd verleden tijd   tegenwoordige tijd verleden tijd
ik   ik
hij   hij
wij   wij
voltooid deelwoord:   voltooid deelwoord:
bijvoeglijk met e:   bijvoeglijk met e:
tegenwoordig deelwoord:   tegenwoordig deelwoord:

 

  verhuizen     bezetten
tegenwoordige tijd verleden tijd   tegenwoordige tijd verleden tijd
ik   ik
hij   hij
wij   wij
voltooid deelwoord:   voltooid deelwoord:
bijvoeglijk met e:   bijvoeglijk met e:
tegenwoordig deelwoord:   tegenwoordig deelwoord:

 

  redden     wandelen
tegenwoordige tijd verleden tijd   tegenwoordige tijd verleden tijd
ik   ik
hij   hij
wij   wij
voltooid deelwoord:   voltooid deelwoord:
bijvoeglijk met e:   bijvoeglijk met e:
tegenwoordig deelwoord:   tegenwoordig deelwoord: