LES 20

Maak de rijtjes of zinnen compleet:

Klik pas op controle wanneer je denkt dat je helemaal klaar bent.

Succes!

 

Vul van de genoemde werkwoorden de verleden tijd (v.t.), het voltooid deelwoord (volt.dw.) en het tegenwoordig deelwoord (teg.dw.) in:
 

hele werkwoord

v.t. enk.

volt. dw.

teg.dw.

       

noemen

hij

hij heeft

werken

zij

zij heeft

branden

het

het heeft

rusten

hij

hij heeft

lopen

jij

jij hebt

snuiven

ik

ik heb

steken

zij

zij is

fluiten

het

het heeft

fietsen

hij

hij heeft

gillen

zij

zij heeft


Vul nu alleen het tegenwoordig deelwoord (teg.dw.) in:

De straaljager vloog over de daken.
Dit huis kun je niet bereiken.
Pieter kwam en uit het water.
Ons over de uitslag gingen we blij naar huis.
Wij keken uit naar de kerstvakantie.
en gingen de kinderen de klas in.
De baby zat bij haar moeder op schoot.
en verdedigde de kat zich.
De dief sloop en rond het huis.
Niets liep hij in de val.

 

en rond het huis.
Niets liep hij in de val.