LES 26

Maak de zinnen compleet:

Klik pas op controle wanneer je denkt dat je helemaal klaar bent.

Succes!

 

Vul de verleden tijd (v.t.) in:

De kinderen hun geld op de kermis.
Hij het fijn, dat jullie hem zo .
Zij in de zee.
De hulp te laat, het niet meer.
De grote menigte onze Koningin toe.
De stedelingen hun mooie stad.
Het schip in de buurt van de vuurtoren.
De motor uit de bochten en in de afgrond.
Ik hem iets, maar hij niet.
De zwerfer in de hooiberg.
Een gids ons door de grotten van Han.
Het paard toen de auto .
Ik de brief voor vader.
Het gezeur van het meisje mij.
De ooivaar een kikker en hem helemaal.

Vul het voltooid deelwoord (volt.dw) in:

De onderwijzer had de leerling verkeerd .
De lampen van de tegenligger hebben ons .
Waarom heeft die jongen zijn vriendje ?
De verpleger heeft de zieke .
Waarom heb je je vriend ?
De bekeurde man heeft de regels .
De directeur heeft de brief .
Heeft de storm veel schade ?
Het vliegtuig is op tijd .
Mijn broer heeft gisteren de stoep .
Daarna heeft mijn zusje de ramen .
Helaas heeft men het onkruid met gif .
Deze vaargeul is dicht .
Heeft men jou erg onheus .
Men heeft de duinen met helm .

 

.