LES 27

Schrijf de woorden in de witte vakjes. Klik op het vraagteken om het hulpwoord eerst te bekijken.

Klik pas op controle wanneer je helemaal klaar bent. Succes!


Toekomende tegenwoordige tijd: Het zal / kan gaan gebeuren.

De motorrijder een jas .
Mijn broer op de fiets .
Melodieën in de stille avond .
Het vannacht .
Mijn zus een nieuwe jurk .
De speller de schafschop .
Jan oude munten .
Hij koeien met gouden horens .
De K.N.V.B. alle wedstrijden .
Hij mij ook iets moois .
In die keuze wij ons .
De chirurg de patiënt .
Zijn ogen .
Zijn opmerking mijn hele dag .
De smid een stuk ijzer .

Voltooid verleden tijd: Het zou / had kunnen / gaan gebeuren.

Wij postzegels .
Moeder met haar buurvrouw .
De jagers veel wild .
Haar bemoedigende woorden hem .
hij die sappige vruchten niet ?
Hij over die vriendschap .
De brandweer proberen de brand te .
De storm veel schade kunnen .
Het mij , als ze mijn voorstel niet .
Deze man veel zakenlieden .
De makelaar mijn belangen slecht .
De dief de portemonnee .
Een regengebied zich over ons land.
Waar hij al die tijd mee bezig ?
Jij dat toch al lang .