LES 28

Schrijf de woorden in de witte vakjes. Klik op het vraagteken om het hulpwoord eerst te bekijken.

Klik pas op controle wanneer je helemaal klaar bent. Succes!

 

 

Vul in: de hulpwerkwoorden hebben, zijn en worden:

Harry gisteren in de zee .
Die mening ik heftig .
hij nog wel eens aan mij ?
De winkeliers hun straat mooi .
De leraar je niet met opzet .
Ons stadhuis spoedig .
Het noodzakelijk dat je de koffers .
Wij uw bestelling zo snel mogelijk .
Vader beleeft op de vragen van de politie .
De sprinkhanen met vergif .
Vliegtuigen deze operatie .
De pianostemmer de piano vanmorgen .
Dat reisje mij nog flink .
Als je iets goed , je het ook goed .
De gevangenen weldra thuis .

Doe nu zo met alle hulpwerkwoorden:

Mijn broer gisteren onze hond .
Jan nu veel geld aan z'n liefhebberij .
Het vliegtuig zodadelijk weer .
De goochelaar nu pluimen uit zijn hoed .
Hij ooit de bekwaamste en geschiktste voor dat werk .
Wij ons destijds in de weg .
Elke morgen de melkboer bij ons .
De slager vorige week te veel .
Wij nu geen gebreken meer .
wij ons vandaag niet ?
De muzikanten nu erg moe .
wij vroeger zingend naar huis ?
Hij toen maar niet van die voorstelling .
Op deze tafel straks weer een vaas met bloemen .
dit feest vroeger te weinig bezoekers ?

 

dit feest vroeger te weinig bezoekers ?