Les 3

Typ de persoonsvorm van deze zinnen in het witte vak achter de zin.
Klik pas op controle wanneer je helemaal klaar bent.

 

 

Zoek de persoonsvorm (pv) door de zin vragend te maken.
Het eerste woord is dan de persoonsvorm.


Arja noemt de twaalf provincies op.
= persoonsvorm
De aap rust op een tak van de boom.
= persoonsvorm
De huizen brandden helemaal uit.
= persoonsvorm
Het meisje werkt in de bloemenwinkel.
= persoonsvorm
De kinderen lopen in de rij naar de gymzaal.
= persoonsvorm


Zoek de persoonsvorm (pv) door de zin in een andere tijd te zetten.
Het woord dat verandert is dan de persoonsvorm.


De voorzitter noemde de voordelen van deze keuze op.
= persoonsvorm (in de t.t.)
Wie rust er altijd tussen 12.00 en 14.00?
= persoonsvorm (in de v.t.)
De schuur brandde alleen aan de achterkant.
= persoonsvorm (in de t.t.)
Waar werkt je vader het liefst?
= persoonsvorm (in de v.t.)
De krantenbezorger loopt al drie jaar deze wijk.
= persoonsvorm (in de v.t.)


Zoek de persoonsvorm (pv) door het onderwerp in het meervoud of in het enkelvoud te zetten.
De werkwoordsvorm die verandert is dan de persoonsvorm.


Mijn broertje noemt de dieren bij hun naam.
= persoonsvorm (in het m.v.)
De leeuwen rustten in de schaduw van de boom.
= persoonsvorm (in het e.v.)
De pannenkoek brandt een beetje aan.
= persoonsvorm (in het m.v.)
De kinderen werkten hard aan hun opstel.
= persoonsvorm (in het e.v.)
De kleuter loopt in de tuin.
= persoonsvorm (in het m.v.)