LES 31

Vul de persoonsvorm in.

Klik op het vraagteken om het werkwoord te zien.

Klik pas op controle wanneer je denkt dat je helemaal klaar bent.

Succes!

 

jij je vader ook bij zijn voornaam?
Mijn vriendin Joke haar vader bij zijn voornaam.
Ik heb hem bij zijn voornaam .
Wij deze man altijd bij zijn achternaam.
Jij altijd flink door.
je vader ook op zaterdag?
Hans hard aan zijn opdracht.
De leerlingen hebben de laatste tijd hard .
De jagers uit na de jacht.
jij ook uit?
De wandelaars na een vermoeiende tocht.
De spelers hadden na de wedstrijd een uur .
Het huis is volledig .
Het vuur hevig.
jij je vingers aan deze kaars?
jij je vingers ook?
Jessica door het park.
jij veel in het weekend?
Zij met haar vriend door de tuin.
Samen hebben wij over de hei .
Deze jongen van pindakaas.
Wij hebben altijd van chocoladepasta .
jij ook van nasi?
je broer erg veel van waterskiën?
Helma voor een nieuwe fiets.
jij ook postzegels?
Ja, maar ik heb ook altijd munten .
jij vroeger ook luciferdoosjes?
jij hem dikwijls?
Gisteren Pieter zijn neef.

 

Pieter zijn neef.