LES 37a

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.

Klik pas op controle wanneer je denkt dat je helemaal klaar bent.

Succes!

 

lopen - hij (v.t.) - hij heeft (volt.dw.) - (teg.dw.)
gieren - hij (v.t.) - hij heeft (volt.dw.) - (teg.dw.)
hoesten - hij (v.t.) - hij heeft (volt.dw.) - (teg.dw.)
verlangen - hij (v.t.) - hij heeft (volt.dw.) - (teg.dw.)
praten - hij (v.t.) - hij heeft (volt.dw.) - (teg.dw.)
lachen - hij (v.t.) - hij heeft (volt.dw.) - (teg.dw.)
slapen - hij (v.t.) - hij heeft (volt.dw.) - (teg.dw.)
blazen - hij (v.t.) - hij heeft (volt.dw.) - (teg.dw.)
krabben - hij (v.t.) - hij heeft (volt.dw.) - (teg.dw.)
speuren - hij (v.t.) - hij heeft (volt.dw.) - (teg.dw.)
zoeken - hij (v.t.) - hij heeft (volt.dw.) - (teg.dw.)
vermoeden - hij (v.t.) - hij heeft (volt.dw.) - (teg.dw.)
gillen - hij (v.t.) - hij heeft (volt.dw.) - (teg.dw.)
branden - hij (v.t.) - hij heeft (volt.dw.) - (teg.dw.)
denken - hij (v.t.) - hij heeft (volt.dw.) - (teg.dw.)