LES 38

Werkwoorden tegenwoordige tijd (t.t.) en verleden tijd (v.t.)

 

Alt 138 = Alt 130 = Alt 137 = Alt 136 Alt 139  =  Alt 148 =

De kip het ei uit. (t.t.)
De kip
het ei uit. (v.t.)

De helikopter
op het dak van de flat. (t.t.)
De helikopter
op het dak van de flat. (v.t.)

Ik
erg veel van voetballen. (t.t.)
Ik
erg veel van voetballen. (v.t.)

Mijn zusje
tennissen fijner. (t.t.)
Mijn zusje
tennissen fijner. (v.t.)

je vader ook van vissen? (t.t.)
je vader ook van vissen? (v.t.)

De trein
over de rails. (t.t.)
De trein
over de rails. (v.t.)

De smid
het ijzer als het heet is. (t.t.)
De smid
het ijzer als het heet is. (v.t.)

De smid
het afval in de hoek. (t.t.)
De smid
het afval in de hoek. (v.t.)

De kok
de maaltijd op de juiste smaak. (t.t.)
De kok
de maaltijd op de juiste smaak. (v.t.)

De tuinman
de mest over het land. (t.t.)
De tuinman
de mest over het land. (v.t.)

De werkgevers
loonsverhoging te geven. (t.t.)
De werkgevers
loonsverhoging te geven. (v.t.)

De buren
ons bij de verhuizing. (t.t.)
De buren
ons bij de verhuizing. (v.t.)

jij de gemaakte fout? (t.t.)
jij de gemaakte fout? (v.t.)

De kleuter
van boosheid. (t.t.)
De kleuter
van boosheid. (v.t.)

De burgemeester
het bruidspaar. (t.t.)
De burgemeester
het bruidspaar. (v.t.)

jij altijd zoveel? (t.t.)
jij altijd zoveel? (v.t.)

De collega's
elkaar. (t.t.)
De collega's
elkaar. (v.t.)

Jij
ons allemaal wat op de mouw. (t.t.)
Jij
ons allemaal wat opde mouw. (v.t.)

De woning
totaal . (t.t.)
De woning
totaal . (v.t.)

Jij
steeds heel diep. (t.t.)
Jij
steeds heel diep. (v.t.)

De krant
het ongeluk niet. (t.t.)
De krant
het ongeluk niet. (v.t.)

Boer Holstra
zijn akkers (t.t.)
Boer Holstra
zijn akkers (v.t.)

De smid
het kapotte hek. (t.t.)
De smid
het kapotte hek. (v.t.)

De chauffeur
zijn vrachtwagen te zwaar. (t.t.)
De chauffeur
zijn vrachtwagen te zwaar. (v.t.)

De grendel van het hek
helemaal vast. (t.t.)
De grendel van het hek
helemaal vast. (v.t.)

Waarom
je je jas niet dicht? (t.t.)
Waarom
je je jas niet dicht? (v.t.)

De wethouder
de opening van de schouwburg. (t.t.)
De wethouder
de opening van de schouwburg. (v.t.)

De handeling
uit het openen van de deur. (t.t.)
De handeling
uit het openen van de deur. (v.t.)

In het oosten
het regelmatig. (t.t.)
In het oosten
het regelmatig. (v.t.)

De tekenaar
het boek. (t.t.)
De tekenaar
het boek. (v.t.)