11.2 Taalverschillen

Niet alle kinderen in Nederland spreken thuis de Nederlandse taal. Sommige spreken thuis een andere taal, bijvoorbeeld Chinees, Turks, Engels, Marokkaans of Spaans. Voor hen is Nederlands de tweede taal. Het is niet altijd gemakkelijk om de tweede taal helemaal goed te gebruiken.

In de tekst kun je iets lezen over de taal problemen van kinderen voor wie het Nederlands de tweede taal is. Lees de tekst hieronder aandachtig. Zoek dan bij elk genummerd stukje tekst twee zinnen waarin je het taal probleem terugvindt. Schrijf de bijbehorende letters in de twee witte vakjes achter het stukje tekst.

De moedertaal van Ronaldo is Portugees. In het Portugees bestaat er geen onderscheid tussen niet en geen.

+
Meltem spreekt thuis Turks. In die taal is er geen verschil tussen hij (mannelijk) en zij (vrouwelijk).

+
Karima komt uit Marokko en spreekt met haar familie Marokkaans-Arabisch. Ze vindt vooral de volgorde van de woorden in Nederlandse zinnen moeilijk.

+
Ann uit Engeland woont met haar ouders in Nederland. Ze zit op een Nederlandse school en wil graag Nederlands leren. Ze vindt het moeilijk om de lidwoorden goed te gebruiken. In het Nederlands heb je de- en het-woorden. In het Engels gebruik je altijd the.

+
Carmen uit Spanje heeft in het Spaans leren praten. Op school spreekt ze Nederlands. Thuis spreekt ze Spaans en Nederlands door elkaar. Voor haar zijn de voorzetsels in de Nederlandse taal moeilijk. Het Spaanse voorzetsel de kan zowel naar als voor betekenen.

+
Ho uit China woont hier nog niet zo lang. Hij leert ijverig Nederlands, maar heeft nog moeite met de Nederlandse klanken. De r bijvoorbeeld kan hij niet uitspreken. Hij zegt dan een l of een w.

+
 

Kies uit:

a

Ik zou geen graag dokter willen zijn.

b

De beroep dat ik kies is politieagent.

c

Kapster worden is niets naar mij.

d

Mijn zus weet al wat hij wil worden.

e

lk wil latei bij mijn vadel welken.

f

Waarschijnlijk mijn broer wordt arts.

g

Daaw wil ik niet heen.

h

Een meisje hoeft niet altijd zijn moeder te helpen.

i

Dat is niet goede school voor mij.

j

Ik denk dat ik ga naar het gymnasium.

k

Ik weet al voor welke school ik ga.

l

Ik ben een beetje bang voor de eerste jaar in de brugklas.