12.7 Let op!

Femke maakt samen met haar moeder haar kamer schoon. Alles moet netjes op zijn plaats komen.

Lees de zinnen goed. Zoek de zinsdelen die over plaats gaan en schrijf deze over in het witte vakje.
Die zinsdelen kun je zoeken door bij de zin een vraag te stellen die begint met 'Waar'.
Bij de eerste zin: Waar ligt de rommel?

Wat een rommel ligt er onder je bed!
Wil jij de boeken netjes op je boekenrek zetten?

De stofdoek ligt in de stofdoeken mand.

Op de vensterbank kun je beter niet zoveel spullen zetten.

Leg dat maar in het onderste laatje van je bureau.

Die oorbellen horen in je sieradendoosje.

Kan ik deze losse blaadjes papier in de prullenbak gooien?

Die poster kun je wel op de muur naast je bed hangen.

Zet het lampje maar terug op het plankje naast je bed.

Je tennisspullen kun je beter beneden opbergen.

Waar zijn die schelpen gebleven die ik op het strand in Turkije had gevonden?

Volgens mij zitten ze in je oude knikkerzak.

 

In de volgende zinnen kun je zinsdelen vinden die over tijd gaan. Schrijf ze in de witte vakjes.

Je kunt die zinsdelen vinden door een vraag te stellen met 'Wanneer'.

Bij de eerste zin: Wanneer zal ik je opbellen?


Ik zal je morgen opbellen.

Vandaag ruim je je kamer op.

Kom je in het weekend bij mij logeren?

Mijn zusje slaapt op het ogenblik boven in het stapelbed.

Volgende week ga ik mijn kamer veranderen.

Ben je de hele week ziek geweest?

Vijf jaar geleden zat ik in groep 3.

Ik ga elke dag even bij mijn opa en oma op bezoek.

Kun je aanstaande zaterdag voetballen?

Volgende week vrijdag hebben we een proefwerk over de Tachtigjarige Oorlog.

Tijdens onze vakantie passen de buren op de katten.

Over een jaar zit ik in de brugklas.