13.7 Zijn en worden

In zinnen waarin "zijn" en "worden" de belangrijkste werkwoorden in de zin zijn, hebben we een naamwoordelijk gezegde:

De poes
is bang.
Mijn broertje
wordt krantenbezorger.

Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit het werkwoord in de zin en het naamwoord dat erbij hoort.

►Zoek in de volgende zinnen het naamwoordelijk gezegde en schrijf het er achter.
Zoek eerst het werkwoord en dan het naamwoord dat erbij hoort.


Mijn moeder is lief.
Ik word bouwvakker.

De poes van de buren is grijs.

Detectives zijn speurneuzen.

Zilveren sieraden worden soms zwart.

Zijn argumenten zijn ijzersterk.


Soms is het naamwoordelijk gezegde lang. Het bestaat dan uit meer naamwoorden:
De hond
is heel erg ziek.
Dat meisje
wordt een heel goede atlete.


►Zoek in de volgende zinnen het naamwoordelijk gezegde en schrijf het er achter.

Onze meester is heel erg aardig.
Wij zijn helemaal niet moe.

Ik word dokter of apotheker.

Mijn moeder werd vreselijk boos.

Wie zijn die mensen aan de overkant?

Ik ben zeer tevreden.