2.5 Zoek het onderwerp

Het onderwerp is de naam van een mens, een dier, een plant of een ding. Het onderwerp kan op verschillende plaatsen in de zin staan. Het onderwerp kan uit een of meerdere woorden bestaan. Je kunt het onderwerp vinden door een wie?- of wat?-vraag te stellen bij de zin. Het antwoord op die vraag is het onderwerp.

 

Voorbeeld:
In het stadion juichen de supporters.
Vraag: Wie juichen in het stadion. Antwoord: de supporters.
Onderwerp: de supporters.

Lees de zinnen. Schrijf steeds de wie?- of wat?-vraag op. Schrijf daarna het onderwerp op.

Gisteren zijn wij naar een voetbalwedstrijd geweest.
Vraag: Wie
?
Onderwerp:


De wedstrijd was erg spannend.
Vraag: Wat
?
Onderwerp:


In de pauze was er van alles te koop.
Vraag: Wat
?
Onderwerp:


Mijn vrienden en vriendinnen namen iets te drinken.
Vraag: Wie
?
Onderwerp:


Na lang aarzelen koos ik voor een ijsje.
Vraag: Wie
?
Onderwerp:


Dat smaakt mij wel goed.
Vraag: Wat
?
Onderwerp:


Bedenk nu zelf de wie?- of wat?-vraag erbij. Schrijf ook weer het onderwerp op.

Het publiek was razend enthousiast.
Vraag:
?
Onderwerp:


Nog minutenlang klonk het applaus.
Vraag:
?
Onderwerp:


Langzaam stroomden de supporters het stadion uit.
Vraag:
?
Onderwerp:


We liepen met een hele groep naar de bus.
Vraag:
?
Onderwerp:


De grote, luxe touringcar draaide de parkeerplaats af.
Vraag:
?
Onderwerp:


Tijdens de terugreis zong de chauffeur aan één stuk door.
Vraag:
?
Onderwerp: